Modules
Module 3: Resources en capabilities
Module 3Eén A4, alles wat je moet kennen

Cheatsheet

Kies bij het printen "Opslaan als PDF".

Cheatsheet module 3 - Resources en capabilities

Basis

  • Resources = what we have (nouns): physical, financial, human. Capabilities = what we do well (verbs). Ezelsbrug: ingrediënten vs koken.
  • Threshold = qualifiers, geeft parity. Distinctive = winners, bron van competitive advantage.
  • Outside-in: uniek voor welke klanten, markt, concurrenten?

VRIO (alle vier nodig)

V R I O Uitkomst
nee - - - competitive disadvantage (onder normaal)
ja nee - - competitive parity (normaal)
ja ja nee - temporary competitive advantage
ja ja ja ja sustained competitive advantage
  • Valuable: waarde voor klant, kansen/bedreigingen, kosten niet te hoog.
  • Rarity: patent, unieke locatie, uniek team.
  • Inimitability: imiteren, verkrijgen of substitueren is niet mogelijk of te duur.
  • Organisational support: structuur, systemen, sales/marketing zetten het om in voordeel.

Bronnen van inimitability (CCC)

  1. Complexity: internal en external linkages.
  2. Causal ambiguity: characteristic ambiguity (wat?) en linkage ambiguity (hoe verbonden?).
  3. Culture en history: taken-for-granted, path dependency.

Capabilities zijn meestal moeilijker te imiteren dan resources, maar tangible resources (locatie, pand) kunnen ook inimitable zijn.

Dynamic capabilities (docent: vaak tentamenvraag!)

  • Definitie: vermogen om resources en capabilities te vernieuwen en te herscheppen voor een veranderende omgeving (Teece).
  • Sensing (waarnemen) - Seizing (kans grijpen) - Reconfiguring (organisatie aanpassen op schaal).
  • Eisenhardt en Martin: “the firm’s processes that use resources to match and even create market change”. Dynamic capabilities zijn specifieke, herkenbare routines.
  • Voorbeelden: productontwikkeling Toyota, acquisitieroutine Cisco (circa 10 per jaar), alliantieprocessen, M&A bij Amazon en Walmart.
  • Kritiek: oude literatuur is conceptueel vaag en tautological.
  • Foute antwoorden: “vaardigheden die veranderen”; alleen het rijtje zonder uitleg.
  • Test: eenmalig trucje of herhaalbare vaardigheid?
  • In snelle markten is voordeel transient: portfolio en pipeline.
  • Risico: ordinary capabilities kunnen rigidities worden (Nokia).

SWOT en TOWS

  • SWOT = confrontatie intern (S, W) en extern (O, T). Doel: strategische opties genereren; overstap van analyse naar keuze.
  • TOWS matrix: S x O, S x T, W x O, W x T geeft opties.
  • Valkuilen: lange lijsten, geen vervanging voor PESTEL, Five Forces en VRIO.
  • SWOT is geen input voor PESTEL (andersom).

Amazon vs Walmart

  • Amazon: AWS, Marketplace-netwerkeffect, fijnmazige distributie, overnames. Walmart: schaal, inkoopmacht, 4000+ winkels, logistiek.
  • Advies: bouw op eigen distinctive; kies je rivaliteit; let op de grens van de case.

Examenregels

  • Gebruik Engelse termen letterlijk.
  • Eerst definiëren, dan toepassen op de casus.
  • Extra materiaal is geen stof. De value chain (par. 4.4.2) is boekstof die de docent in College 3 oversloeg: ken de basis.
Alles