Begrippen
Naslag

Begrippenlijst

Alle vaktermen van de cursus, alfabetisch. Vaktermen worden niet vertaald. (215 termen)

A

  • administrative distanceModule 5

    Verschillen in politiek, wetten, instituties en banden (koloniaal, handelsverdragen) tussen landen.

  • adverse selectionModule 6

    Pre-contract: de agent weet meer dan de principal; oplossing screening, signalling, due diligence.

  • agency problemModule 6

    De manager (agent) handelt niet in het belang van de eigenaar (principal), bijvoorbeeld door empire building.

  • alien territoryModule 4

    Business zonder fit op opportunities en met misfit op KSFs: afstoten.

  • alternative futuresModule 1

    Meerdere verschillende toekomsten bij hoge onzekerheid.

  • Ansoff matrixModule 4

    Matrix van groeirichtingen op basis van producten/diensten en markten: market penetration, product development, market development en diversification.

  • asset specificityModule 4

    De mate waarin een investering alleen waarde heeft binnen één specifieke relatie; verhoogt het risico op opportunisme.

    Zie ook:opportunism

B

C

D

E

  • early warning indicatorsModule 1

    Signalen waaraan je ziet dat een scenario werkelijkheid wordt.

  • economies of scaleModule 2

    Lagere kosten per eenheid doordat vaste kosten over meer volume worden verdeeld.

  • economies of scopeModule 4

    Voordelen doordat dezelfde resources of capabilities meerdere activiteiten bedienen (tangible of intangible).

  • ecosystem leaderModule 2

    Het bedrijf dat de partners in een business ecosystem coördineert.

  • emergent strategyModule 1

    Strategy die ontstaat uit dagelijkse beslissingen en leren, zonder plan.

  • enforcement costsModule 4

    Transactiekosten van het afdwingen en bewaken van de naleving van afspraken.

  • enlightened self-interestModule 6

    CSR-houding: verantwoord gedrag uit gezond zakelijk verstand; supportive leiderschap, reactive modus.

  • entrepreneurModule 6

    Iemand die kansen herkent en met resources iets nieuws creëert; een oprichter is niet automatisch een entrepreneur.

  • entry modeModule 5

    De manier waarop een bedrijf een buitenlandse markt betreedt of er uitbreidt: exporting, licensing, franchising, greenfield, joint venture of M&A.

  • equal treatmentModule 5

    Een van de vier geopolitieke gevolgen voor MNE's: gelijke behandeling van buitenlandse en lokale bedrijven (national treatment, MFN).

  • exit barriersModule 2

    Obstakels die bedrijven in een industry houden, ook als de winst laag is; versterken rivalry.

  • experience curveModule 2

    De kosten per eenheid dalen naarmate een bedrijf meer ervaring (cumulatief volume) opdoet.

    Zeker-onderwerp:Experience curve

F

  • financial controlModule 6

    Goold & Campbell: weinig centrale invloed en strenge afrekening op cijfers.

  • Five ForcesModule 1

    Porters model voor industrieanalyse (module 2); gaat over de market omgeving.

    Zie ook:rivalry

  • Five ForcesModule 2

    Porters model om de winstgevendheid van een industry te verklaren: threat of entry, threat of substitutes, buyer power, supplier power en rivalry.

  • Je richten op een smal segment, met kostenvoordeel (cost focus) of onderscheid (differentiation focus).

  • forcefield-analyseModule 6

    Krachten vóór en tegen verandering tegenover elkaar zetten; bij negatieve balans eerst de krachten vóór versterken.

  • forecastingModule 1

    Het voorspellen van uitkomsten zoals omzet of groei.

    Zeker-onderwerp:Forecasting

  • forum for stakeholder interactionModule 6

    CSR-houding: triple bottom line, champion-leiderschap, proactive modus, partnership.

  • forward integrationModule 2

    Een leverancier gaat zelf de activiteiten van zijn afnemer uitvoeren.

  • forward integrationModule 4

    Vertical integration richting de afnemers, distributie en klanten.

  • freemiumModule 2

    Gratis basisversie, betaalde uitbreiding.

  • functional strategiesModule 1

    Strategieën van functies zoals R&D, IT en marketing.

G

H

  • heartlandModule 4

    Business met hoge fit met parenting opportunities en geen misfit met KSFs; de kern van het portfolio.

I

  • imprinting theoryModule 6

    Oprichters drukken een blijvende stempel op de organisatie.

  • industryModule 2

    Een groep bedrijven die in essentie hetzelfde product of dezelfde dienst levert.

  • industry analysisModule 2

    Analyse van de aantrekkelijkheid van een industry in zes stappen, van definitie tot positionering.

    Zie ook:industry

  • industry life cycleModule 2

    De fases development, growth, shake-out, maturity en decline waar een industry doorheen gaat.

  • industry roll-upModule 4

    Een versnipperde sector consolideren door veel kleine spelers over te nemen (Huizenga, Waste Management).

  • inflexion pointsModule 1

    Momenten waarop een ontwikkeling van richting of tempo verandert.

  • inimitabilityModule 3

    Het derde VRIO-criterium: concurrenten kunnen de resource of capability niet of alleen tegen hoge kosten imiteren, verkrijgen of substitueren.

  • input costsModule 2

    Kosten van grondstoffen, arbeid en andere inkoop; een cost driver.

  • institutional alignmentModule 5

    Een van de vier geopolitieke gevolgen voor MNE's: afstemming van standaarden en regels, met invloed op transactiekosten.

  • intended strategyModule 1

    De strategy die het management van plan was.

  • internal alignmentModule 1

    Activiteiten, structuur en middelen die samen de value proposition mogelijk maken.

  • internal capital marketModule 4

    Het hoofdkantoor verdeelt kapitaal beter dan de externe markt (miniature capital market), dankzij betere informatie en minder transactiekosten.

  • international strategyModule 5

    Bartlett & Ghoshal: weinig druk voor integratie en lokale aanpassing; product grotendeels ongewijzigd exporteren, meestal een tijdelijke fase.

  • internationalization driversModule 5

    De vier groepen factoren van Yip (market, cost, competitive, government) die bepalen hoe sterk de prikkel is om te internationaliseren.

  • investment securityModule 5

    Een van de vier geopolitieke gevolgen voor MNE's: bescherming van eigendomsrechten en investeringen.

J

  • joint ventureModule 5

    Een alliantie waarbij partners samen een nieuwe eenheid oprichten (equity joint venture); snel, deelt verlies, risico op learning race.

K

L

  • laissez-faireModule 6

    CSR-houding: alleen de wet naleven; leiderschap peripheral, modus defensive, relatie unilateral.

  • learning raceModule 5

    Bij een alliantie proberen partners zoveel mogelijk van elkaar te leren; wie klaar is beëindigt de alliantie en laat de ander achter.

  • levels of strategyModule 1

    Corporate level, business level en functional strategies.

  • liabilities of foreignnessModule 5

    De extra kosten van een buitenlands bedrijf ten opzichte van lokale concurrenten (onbekendheid, discriminatie, geopolitiek thuisfront).

    Zeker-onderwerp:Liabilities of foreignness

    Zie ook:OLI

  • linkage ambiguityModule 3

    Onduidelijk welke activiteiten en processen in welke volgorde en configuratie aan elkaar gelinkt zijn.

  • local responsivenessModule 5

    Druk om producten, diensten en processen aan te passen aan lokale omstandigheden (pressures for local responsiveness).

M

  • managerial ambitionModule 4

    Value-destroying driver: diversificeren uit persoonlijke motieven, zoals status of salaris dat met bedrijfsgrootte stijgt.

  • market developmentModule 4

    Bestaande producten aan nieuwe markten leveren: nieuwe users of nieuwe geografieën.

  • market driversModule 5

    Internationalisatiedrijfveren uit de markt: similar customers, global customers en transferable marketing.

  • market entryModule 5

    Een van de vier geopolitieke gevolgen voor MNE's: toegang tot een markt.

  • market for corporate controlModule 4

    De markt waarop bedrijven worden overgenomen; een parent zonder parenting advantage loopt het risico te worden ontmanteld.

  • market penetrationModule 4

    Groei met bestaande producten in bestaande markten; beperkt door retaliation, legal en economic constraints.

  • market powerModule 4

    Diversification driver: macht door breedte, onder meer via mutual forbearance, cross-subsidising, goedkoper lenen en bulkinkoop.

  • market segmentModule 2

    Een groep klanten met vergelijkbare behoeften binnen een markt.

  • matrixModule 6

    Structuur met twee bazen; loyaliteitsconflicten en hoge kosten.

  • maturityModule 2

    Fase met verzadigde vraag, hogere barriers, standaardisatie en meer buyer power.

  • megatrendsModule 1

    Grote, langlopende ontwikkelingen die veel sectoren raken.

  • missionModule 1

    De kernbezigheid van de organisatie.

  • mobility barriersModule 2

    Obstakels om van de ene strategic group naar de andere te bewegen.

  • moral hazardModule 6

    Post-contract: de agent gedraagt zich anders na ondertekening; oplossing monitoring en incentives.

  • multi-domestic strategyModule 5

    Bartlett & Ghoshal: hoge lokale druk, weinig integratiedruk; autonome country managers en weinig onderling leren.

  • multi-sided platformModule 2

    Platform dat meerdere groepen gebruikers (bijvoorbeeld makers, kijkers en adverteerders) met elkaar verbindt.

  • multipoint competitionModule 5

    Bedrijven concurreren gelijktijdig in meerdere producten of markten en reageren op elkaar in een andere markt (Coca-Cola en Pepsi).

  • mutual forbearanceModule 4

    Concurrenten die in meerdere markten tegenover elkaar staan, vallen elkaar minder aan uit angst voor vergelding elders.

    Zie ook:market power

N

  • network effectsModule 2

    De waarde van een product stijgt naarmate meer mensen het gebruiken.

  • non-marketModule 1

    Omgevingsfactoren buiten de markt: overheid, samenleving, natuur, regels.

O

  • objectiveModule 1

    Kwantificeerbaar en tijdgebonden doel in een strategy statement.

  • Dunning's eclectic paradigm: Ownership, Location, Internalization; de voordelen die de liabilities of foreignness moeten compenseren.

  • opportunismModule 4

    Het risico dat een partij haar eigen belang nastreeft ten koste van de ander, vooral bij weinig alternatieven, complexiteit en asset specificity.

  • organisational cultureModule 6

    De taken-for-granted assumptions en gedragingen in een organisatie.

    Zeker-onderwerp:Organisatiecultuur

  • organisational supportModule 3

    Het vierde VRIO-criterium: structuur, processen en systemen zijn zo ingericht dat de organisatie het potentieel ook echt benut.

    Zie ook:VRIO

  • outside-inModule 3

    Ook de interne analyse doe je vanuit de context: uniek voor welke klanten, markten en concurrenten?

  • outsourcingModule 4

    Een activiteit door een externe partij laten uitvoeren in plaats van haar zelf te doen.

P

  • parental developerModule 4

    Parenting-rol met een groot hoofdkantoor dat de eigen centrale capabilities inzet om de business units te ontwikkelen.

  • parenting advantageModule 4

    Het hoofdkantoor is de beste eigenaar van een business: die doet het onder deze parent beter dan onder een andere.

  • parenting-fit matrixModule 4

    Matrix van Campbell die businesses indeelt op fit met parenting opportunities en misfit met key success factors.

    Zie ook:matrix

  • parityModule 3

    Op een vergelijkbaar niveau presteren als de gemiddelde concurrent (competitive parity).

    Zie ook:threshold

  • path dependencyModule 3

    Resources en capabilities zijn het resultaat van een unieke geschiedenis van beslissingen en uitkomsten, en daarom niet na te doen.

  • PESTELModule 1

    Political, Economic, Social, Technological, Ecological, Legal: analyse van de macro-omgeving.

    Zeker-onderwerp:PESTEL-analyse

  • Porter's diamondModule 5

    Model van locatievoordelen: factor conditions, demand conditions, related and supporting industries, firm strategy structure and rivalry.

    Zeker-onderwerp:Porter's Diamond

    Zie ook:strategyrivalry

  • portfolio managerModule 4

    Parenting-rol met een klein hoofdkantoor en nadruk op investeren en ingrijpen (bijv. private equity).

  • power/attention-matrixModule 6

    Indeling van stakeholders op macht en aandacht: key players, sleeping giants, gadflies en een groep met minimale inspanning.

  • price premiumModule 2

    Een hogere prijs die klanten willen betalen voor een onderscheidend aanbod.

  • price/performance ratioModule 2

    De verhouding tussen prijs en prestatie van een substituut ten opzichte van het huidige product.

  • principal-principalModule 6

    Conflict tussen grote en kleine aandeelhouders.

  • procedural justiceModule 6

    Eerlijkheid van het proces; drie E's: Engagement, Explanation, clarity of Expectations.

  • product developmentModule 4

    Nieuwe producten of diensten aan bestaande markten leveren; risico op nieuwe resources, capabilities en projectmanagement.

  • product/process designModule 2

    Productontwerp en proces die de kosten verlagen; een cost driver.

  • purposeModule 1

    Waarom een organisatie bestaat.

    Zeker-onderwerp:Purpose

  • purposeModule 6

    De waarde die een organisatie wil creëren voor haar stakeholders, financieel en niet-financieel; moet consistent zijn met de cultuur.

    Zie ook:stakeholders

R

S

T

  • tautologicalModule 3

    Cirkelredenering: succes verklaren met 'goede dynamic capabilities' en die afleiden uit het succes. Kritiek van Eisenhardt en Martin op de oude literatuur.

  • temporary competitive advantageModule 3

    VRIO-uitkomst bij valuable en rare maar niet inimitable: voordeel dat verdwijnt zodra concurrenten imiteren.

    Zie ook:VRIOvaluable

  • threat of entryModule 2

    De kans dat nieuwe toetreders de industry binnenkomen; hangt af van barriers to entry.

  • threat of substitutesModule 2

    De dreiging van producten of diensten van buiten de industry die dezelfde behoefte vervullen.

  • three horizonsModule 1

    Framework dat activiteiten indeelt op tijd: kern verdedigen, kansen opbouwen, opties verkennen.

  • thresholdModule 3

    Threshold resources en capabilities zijn het minimum om in een markt mee te mogen doen (qualifiers); ze geven parity, geen voordeel.

  • TOWS matrixModule 3

    Uitwerking van SWOT waarin elk vak opties geeft voor een combinatie van interne en externe factoren (bijv. strengths x opportunities).

    Zie ook:SWOT

  • transaction cost economicsModule 4

    Theorie van Williamson: de marktvorm of de interne organisatie wordt gekozen op basis van de transactiekosten, met opportunisme als kernrisico.

    Zie ook:opportunism

  • transaction costsModule 4

    Kosten van het gebruik van de markt: search costs, bargaining costs en enforcement costs (Coase).

  • transientModule 3

    Tijdelijk: in snel veranderende omgevingen is concurrentievoordeel transient, dus bouw een portfolio met een pipeline van initiatieven.

  • transnational strategyModule 5

    Bartlett & Ghoshal: hoge druk op beide assen; centraal waar het kan, lokaal waar het moet, met leren in beide richtingen.

U

V

W

  • weak signalsModule 1

    Vroege, zwakke aanwijzingen voor een mogelijke verandering.

Z

Alles